Vervangende toestemming voor verhuizing naar Finland; vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken; IPR.

Bron: ECLI:NL:GHARN:2012:BX2833, Gerechtshof Arnhem 26 juli 2012, 200.099.342

Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM
Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.099.342
(zaaknummer rechtbank 307320 / FA RK 11-3315)

beschikking van de familiekamer van 28 juni 2012

inzake

[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen “de moeder”,
advocaat: mr. M.T.N. Whiterod te Utrecht,

en

[verweerder],
wonende te [woonplaats], verblijvende te [plaatsnaam],
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen “de vader”,
advocaat: mr. A.M. van de Lest-van Berkel te Utrecht.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Utrecht van 28 september 2011, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 21 december 2011, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Zij verzoekt het hof allereerst bij wege van incident de zaak ter verdere behandeling en beslissing door te verwijzen naar het gerechtshof ’s-Gravenhage. Gerechtsgebouw-s-Gravenhage In de hoofdzaak verzoekt zij de bestreden beschikking te vernietigen, althans voor zover deze wordt getroffen door de aangevoerde grieven, en opnieuw beschikkende, te bepalen dat haar toestemming wordt verleend om met de kinderen te verhuizen naar Finland en een contactregeling, zoals door haar voorgesteld in productie 11 (het hof begrijpt: bij de brief van 22 augustus 2011 in eerste aanleg) dan wel een door het hof juist geachte contactregeling vast te stellen.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 6 februari 2012, heeft de vader het incidentele verzoek van de moeder en haar verzoek in hoger beroep in de hoofdzaak bestreden. Daarbij heeft de vader tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. De vader verzoekt het hof in het principaal hoger beroep de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans haar verzoek in hoger beroep af te wijzen als zijnde ongegrond en in het incidenteel hoger beroep de regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zo uit te breiden, althans vast te leggen, zoals de vader heeft verzocht in het verweerschrift in hoger beroep onder punt 45 en 46 en de bestreden beschikking voor het overige te bekrachtigen.

2.3 De moeder heeft in het incidenteel hoger beroep geen verweerschrift ingediend.

2.4 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:
– op 10 mei 2012 een brief van mr. Van de Lest – Van Berkel van 9 mei 2012 met bijlagen;
– op 11 mei 2012 een brief van mr. Whiterod van 10 mei 2012 met bijlagen;
– op 14 mei 2012 een brief van mr. Whiterod van 11 mei 2012 met bijlagen;
– op 15 mei 2012 een brief van mr. Van de Lest – Van Berkel van dezelfde datum met bijlagen.

2.5 De mondelinge behandeling heeft op 22 mei 2012 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is […] verschenen.

2.6 Artikel 1.4.3 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

2.7 Desgevraagd heeft mr. Whiterod ter mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen overlegging van de brief met bijlagen van 15 mei 2012 aangezien deze brief met bijlagen binnen de termijn van tien dagen voor de zitting bij het hof is ingekomen. Het hof heeft daarop beslist dat op die bijlagen acht wordt geslagen, omdat deze kort en eenvoudig te doorgronden zijn en omdat het hof van oordeel is dat mr. Whiterod samen met de vrouw zonder nadere maatregel van het hof in redelijkheid voldoende moet hebben kunnen kennisnemen van die bijlagen en zich voldoende moet hebben kunnen voorbereiden op een verweer daartegen. Dit geldt temeer daar mr. Whiterod ter mondelinge behandeling heeft meegedeeld dat de vrouw van de inhoud van de bijlagen op de hoogte is.

3. De vaststaande feiten

3.1 Uit de relatie van partijen – die van januari 1998 tot 15 januari 2011 hebben samengewoond – zijn geboren [kind 1], verder te noemen “[kind 1]”, op [geboortedatum] 2003 en [kind 2], verder te noemen “[kind 2]”, op [geboortedatum] 2006. De vader heeft de kinderen erkend. Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
De vader heeft de Nederlandse en de moeder de Finse nationaliteit. De kinderen hebben zowel de Nederlandse als de Finse nationaliteit.

verhuizing3.2 Bij verzoekschrift, van op 18 mei 2011, heeft de moeder, voor zover hier van belang, de rechtbank Utrecht verzocht aan haar toestemming te verlenen om tezamen met de kinderen naar Finland ([plaatsnaam]) te verhuizen, althans te bepalen dat de kinderen hun gewone verblijfplaats bij haar zullen hebben, alsmede dat zij haar verblijfplaats zullen volgen, althans zodanig te beslissen als de rechtbank in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.

3.3 Bij verweerschrift heeft de vader verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot toestemming om te mogen verhuizen naar Finland, althans dat verzoek af te wijzen en een zorgverdelingsregeling vast te stellen waarbij hij naast de dinsdagmiddag om de week van vrijdagmiddag na school tot zondag 19.00 uur de kinderen bij zich mag hebben en te bepalen dat hij de kinderen voor de helft van de vakanties bij zich mag hebben. In het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de vader heeft de moeder bericht dat partijen een omgangsregeling zijn overeengekomen voor het geval de moeder met de kinderen in Nederland moet blijven wonen.

3.4 Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de kinderen met ingang van 28 september 2011 hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de moeder in Nederland en met ingang van die datum een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld waarbij de kinderen bij de vader verblijven :
– om het weekeinde van vrijdag 15.00 uur uit school tot zondag 17.00 uur;
– iedere dinsdag uit school van 15.00 uur tot 18.45 uur;
– de vader haalt en brengt de kinderen;
– gedurende de tweede week van de kerstvakantie 2011/2012 (30/12 – 6/1), waarbij partijen zullen meewerken aan het tijdig overdragen van de kinderen bij eventuele vluchten;
– gedurende de eerste drie weken van de zomervakantie 2012, waarbij de weekendregeling zal worden hervat op 24 augustus 2012;
– gedurende de eerste week van de kerstvakantie 2012/2013 (21/12 – 29/12), waarbij partijen zullen meewerken aan het tijdig overdragen van de kinderen bij eventuele vluchten.
De overige tijd verblijven de kinderen bij de moeder.
Voorts heeft de rechtbank de beslissing omtrent de kinderalimentatie aangehouden en het meer of anders verzochte – waaronder het verzoek van de moeder om vervangende toestemming om met de kinderen naar Finland te verhuizen – afgewezen.

4. De motivering van de beslissing in principaal en incidenteel hoger beroep

4.1 Het hof blijft bij zijn beslissing, bij brief van 27 maart 2012 aan partijen meegedeeld, dat in verband met artikel 265 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen verwijzing van de zaak naar het hof Den Haag mogelijk is, zoals door de moeder verzocht.

4.2 In geschil zijn het verzoek van de moeder om vervangende toestemming om met de kinderen te verhuizen naar Finland en het verzoek van de vader tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders.

4.3 Omdat de vader de Nederlandse en de moeder de Finse nationaliteit heeft, dient het hof ten aanzien van de onder 4.2 genoemde geschilpunten ambtshalve te beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is.

4.4 Ten aanzien van de verzochte vervangende toestemming om te mogen verhuizen met de kinderen en de vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van de kinderen, acht het hof zich zowel op grond van de artikelen 1 en 2 van het Verdrag betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen (Den Haag, 5 oktober 1961, Trb. 1963, 29: ‘Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961’), als op grond van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van de Europese unie van 27 november 2003 (ook wel genoemd Brussel IIbis) bevoegd en wordt met toepassing van Nederlands recht voorzien in voormelde verzoeken, omdat de kinderen hier te lande hun gewone verblijfplaats hebben.

4.5 De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede en uitsluitend indien het belang van het kind dit vereist, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;
c. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;
d. de wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 1:377c, eerste en tweede lid, BW wordt verschaft.

4.6 De moeder heeft het voornemen om met de kinderen naar Finland te verhuizen. De vader kan zich daarmee niet verenigen. Omdat partijen gezamenlijk zijn belast met het ouderlijke gezag over de kinderen, heeft de moeder de toestemming van de vader nodig als zij met de kinderen wil verhuizen. Indien, zoals in het onderhavige geval, de vader zijn toestemming weigert en de moeder desniettemin wenst te verhuizen, kan zij aan de rechter vervangende toestemming verzoeken.

4.7 Het hof stelt voorop dat uit het bepaalde in artikel 1:253a BW volgt dat de rechter een zodanige beslissing neemt als deze in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer ook het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Het hof zal bij deze beslissing alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen.

4.8 Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is het volgende gebleken. Partijen hebben hun relatie verbroken en zijn feitelijk sedert 15 januari 2011 uit elkaar. De vader heeft de woning waarin partijen in gezinsverband samen hebben gewoond verlaten en is bij zijn vriendin in [plaatsnaam] gaan wonen. Tijdens de relatie van partijen, die van januari 1998 tot 15 januari 2011 heeft geduurd, heeft de vader eigen ondernemingen gedreven. Hij werkt en werkte ongeveer 70 à 80 uur per week, aldus zijn eigen beschrijving van de situatie (productie 1 bij verweerschrift in hoger beroep). De moeder heeft sinds de geboorte van [kind 1] in [maand] 2003 niet meer deelgenomen aan het arbeidsproces en de zorgtaken voor de kinderen op zich genomen. De vader heeft tegenover de betwisting door de moeder voldoende aannemelijk gemaakt dat hij tijdens de relatie van partijen zijn werkzaamheden zoveel als mogelijk was heeft ingericht om voldoende betrokken te zijn bij de verzorging en opvoeding van de kinderen en dat hij een belangrijke rol vervulde en nog steeds vervult in het leven van de kinderen.
Het hof is van oordeel dat alleen al uit het feit dat de moeder tijdens de relatie en na de geboorte van [kind 1] niet (meer) heeft gewerkt en volledig beschikbaar was en is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen en de vader in die periode 70 à 80 uur per week werkte, kan worden afgeleid dat de moeder het meest betrokken is geweest bij de verzorging en opvoeding van de kinderen tijdens de relatie van partijen. Na het uiteengaan van partijen is het contact tussen de vader en de kinderen een periode minder frequent geweest en thans verblijven de kinderen bij de vader overeenkomstig de hiervoor onder 3.4 vermelde regeling. Het zwaartepunt van de verzorging en opvoeding van de kinderen ligt naar het oordeel van het hof nog steeds bij de moeder. De kinderen hebben hun gewone verblijfplaats dan ook bij de moeder. Op grond van het voorgaande is voldoende aannemelijk dat het belang van de kinderen op zichzelf het meest is gediend met voortzetting van hun verblijf bij de moeder.

4.10 De moeder heeft voor het geval zij met de kinderen naar Finland verhuist, in bijlage 1 bij het door haar opgestelde ouderschapsplan een ruime omgangsregeling tussen de vader en de kinderen voorgesteld waarbij de vader de kinderen éénmaal per maand bezoekt, de vader naar de kinderen reist, de moeder, indien nodig, een verblijfplaats voor de vader en de kinderen regelt of de woning verlaat waarin zij met de kinderen woont en de vader in die woning mag verblijven, alsmede dat er omgang is tijdens de verjaardagen van de kinderen, gedurende feestdagen en gebeurtenissen – zoals (Sinterklaas en Koninginnedag) – en voorts dat de kinderen eventueel omgang hebben met de vader (in Nederland) tijdens een “verlengd” weekend (Pasen en/of Pinksteren), en gedurende de vakanties, (drie weken in de zomervakantie en in de tweede week in de kerstvakantie en de skivakantie.
Dat de frequentie van het contact van de vader met de kinderen bij een verhuizing van de moeder met de kinderen naar Finland zal veranderen, is duidelijk. Daarmee is naar het oordeel van het hof niet gezegd dat voor de vader geen inhoudelijk verzorgende en opvoedende rol voor de kinderen is weggelegd. Hierbij betrekt het hof dat de vader éénmaal per drie weken of éénmaal per maand een lang weekend naar Finland kan gaan en daar invulling kan geven aan zijn opvoedende en verzorgende taak. Tevens zal hij daarbij de kinderen kunnen begeleiden naar hun activiteiten en met hen activiteiten ondernemen in dezelfde mate als hij dat met de kinderen in Nederland kan doen. De vader is bekend met de omgeving waar de kinderen in Finland kunnen gaan wonen. De moeder heeft onweersproken verklaard dat de vader desgewenst in de woning bij de kinderen in Finland kan verblijven. Het contact tussen de vader en de kinderen tijdens de vakanties behoeft evenmin een wijziging te ondergaan. De kinderen kunnen onder begeleiding naar Nederland en Finland vliegen.
Dat de kosten van een regeling waarbij de vader en/of de kinderen regelmatig van Nederland naar Finland dienen te reizen een beletsel vormen voor de uitoefening van een dergelijke regeling is door de vader, gelet op de gemotiveerde betwisting door de moeder, alsmede haar stelling dat zij ook in deze kosten zal bijdragen, onvoldoende onderbouwd.
Het hof is van oordeel dat, voor zover een verhuizing van de kinderen naar Finland een inbreuk betekent op het recht op gelijkwaardige opvoeding en verzorging door beide ouders, op grond van het voorgaande in dit geval geen sprake is van een dermate grote inbreuk dat deze verhuizing niet in het belang van de kinderen is.

4.11 Dat de moeder belang heeft bij een verhuizing naar Finland heeft zij naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk gemaakt. De moeder, geboren en getogen in Finland, heeft totdat zij bij de vader in Nederland is gaan wonen altijd in Finland gewoond, daar een beroepsopleiding afgerond en daar gewerkt. Voorts woont haar hele familie in Finland, onder meer haar ouders, haar oma en twee neefjes en heeft zij veel vrienden en kennissen in Finland. Het hof acht het gelet op de stellingen van de moeder dienaangaande voldoende aannemelijk dat zij een grotere binding heeft met Finland dan met Nederland en dat zij in Finland een ruimer sociaal netwerk heeft dan in Nederland. Hier komt nog bij dat de moeder door overlegging van verscheidene brieven van vrienden, oud-studiegenoten, dan wel oud-collega’s, bijlagen bij productie D bij brief van 10 mei 2012, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar kansen op de arbeidsmarkt in Finland aanzienlijk groter zijn dan in Nederland en dat zij daarmee in staat is in Finland een redelijk inkomen uit arbeid te verwerven. Voorts kan zij in Finland woonruimte huren die passend is voor haar en de kinderen.
Daar staat tegenover dat de situatie van de moeder in Nederland door de echtscheiding is verslechterd. Haar financiële situatie is aanzienlijk achteruit gegaan omdat zij geen recht heeft op partneralimentatie. Zij slaagt er niet in een werkkring op haar niveau te vinden, enerezijds omdat zij sinds medio 2003 niet meer heeft deelgenomen aan het arbeidsproces en anderzijds omdat zij geen Nederlandse opleiding heeft afgerond en moeite heeft met de schriftelijke Nederlands taal. Uit de door de moeder overgelegde reacties op sollicitaties blijkt voldoende dat zij niet eens wordt uitgenodigd voor een gesprek. Bovendien heeft de moeder samen met de kinderen de woning waarin het gezin van partijen heeft gewoond, inmiddels moeten verlaten. Die woning is namelijk eigendom van de vader, die de woning zelf weer wenst te bewonen. De vrouw huurt thans voor bepaalde tijd een appartement en heeft nog geen urgentie voor vervangende woonruimte. Zodra zij deze wel heeft, is de keuze voor passende woonruimte echter nihil en zal zij aangewezen zijn op een flatwoning in de sociale woningbouw.
Gezien het voorgaande, haar opleiding en haar achtergrond acht het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat de moeder in Finland betere vooruitzichten heeft op een passende baan en op passende woonruimte dan in Nederland. De door de moeder te verwerven inkomsten zullen mede ten goede komen aan de kinderen die thans ervaren dat de moeder slechts een inkomen heeft van rond de bijstandsnorm. De moeder heeft voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat zij woonruimte ter beschikking heeft in Finland, ofwel bij haar ouders dan wel dat er voldoende huurwoningen beschikbaar zijn. Ook de kinderen zullen daarvan profiteren. De vader heeft deze stellingen van de moeder onvoldoende gemotiveerd betwist.

4.12 Tegenover het belang van de moeder bij een verhuizing naar Finland en het belang van de kinderen om met de moeder in gezinsverband te wonen, staat het belang van de vader en de kinderen bij regelmatige omgang met elkaar.
Vast staat dat een verhuizing naar Finland ingrijpende veranderingen voor de kinderen met zich zal brengen, met name in het contact met de vader, zijn familie, de vriendjes en vriendinnetjes van de kinderen, de school en de verdere leefomgeving. Bij deze belangenafweging dient mede het alternatief betrokken te worden, te weten dat de moeder alleen naar Finland zou verhuizen en de kinderen bij de vader zouden wonen. Dat alternatief zou eveneens ingrijpende veranderingen met zich meebrengen, waaronder het beëindigen van de dagelijkse opvoeding en verzorging van de kinderen door de moeder. De moeder heeft overigens te kennen gegeven dat zij vindt dat zij dit de kinderen niet kan aandoen, hetgeen door de vader niet is betwist. Het hof acht dit alternatief dan ook niet in het belang van de kinderen.
Voorts staat vast dat, ook wanneer de moeder met de kinderen in Nederland blijft wonen, de kinderen niet in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven, niet alleen omdat de moeder het huis dat zij samen met de vader en de kinderen in gezinsverband heeft bewoond, heeft moeten verlaten omdat de vader daarin weer wenst te wonen, maar ook omdat zij het appartement dat zij thans voor bepaalde tijd huurt, op korte termijn zal moeten verlaten. Dat die verhuizing en het gevolg daarvan, te weten het vertrek uit hun tot dan toe vertrouwde leefomgeving, voor de kinderen schadelijk is geweest, is gesteld noch gebleken.

4.13 Ten slotte is in de onderhavige zaak gebleken dat de communicatie tussen partijen moeizaam verloopt. Het hof stelt vast dat de onderhavige procedure, de belangen van partijen daarin en de onzekerheid over de toekomst zolang geen definitieve beslissing is genomen een verbetering van de communicatie in de weg staan. Door het gebrek aan communicatie en het feit dat partijen sinds hun uiteengaan verwikkeld zijn in een strijd over de verblijfplaats van de kinderen, worden zij belemmerd in hun sociaal-emotionele ontwikkeling. Blijkens de brief van bureau LEF van 27 april 2012 bestaat er zorg dat in de huidige situatie de ontwikkeling van [kind 1] onvoldoende positieve doorgang kan vinden en wordt bedreigd. Het is in het belang van de kinderen dat de strijd tussen de ouders wordt gestaakt. Naar het oordeel van het hof kan dit bewerkstelligd worden wanneer definitief duidelijkheid wordt verschaft over de verblijfplaats van de kinderen en waaraan de ouders zich in het belang van de kinderen zullen moeten conformeren. Wanneer deze duidelijkheid is verschaft, gaat het hof ervan uit dat de ouders beter in staat zijn met elkaar te communiceren omtrent de kinderen. Dat de moeder de kinderen bij de vader weg zal houden wanneer zij toestemming krijgt naar Finland te verhuizen, is niet aannemelijk geworden. De moeder heeft in haar voorstellen voor een omgangsregeling en ter mondelinge behandeling duidelijk laten blijken dat zij in het belang van de kinderen de contacten en omgang met de vader zal ondersteunen en bereid is daarvoor ook zelf offers te brengen.

4.14 Al het voorgaande in aanmerking nemende en de belangen van alle betrokkenen tegen elkaar afwegend, is het hof van oordeel dat de moeder vervangende toestemming verleend dient te worden om met de kinderen naar Finland te verhuizen. Daarbij is voorts van belang dat de kinderen in het verleden regelmatig in Finland zijn geweest, zij bekend zijn met de leefomgeving en de familie aldaar, zij de Finse taal machtig zijn en zij op een Finse school terecht kunnen waar tevens aandacht kan worden besteed aan de Nederlandse taal. Gezien de leeftijd van de kinderen en gelet op het feit dat de kinderen veilig gehecht zijn, valt niet te verwachten dat sociale aanpassing in Finland tot problemen zal leiden. Bovendien is tussen partijen niet in geschil dat het niveau van levensstandaard en voorzieningen in Finland niet onder doet voor Nederland. Op grond hiervan acht het hof aannemelijk dat met de daar beschikbare hulpverlening de problematiek van de kinderen kan worden behandeld en zij zich ook op sociaal-emotioneel gebied goed kunnen ontwikkelen.
Tenslotte is het met moderne communicatiemiddelen zoals e-mail, MSN en Skype eenvoudig om zeer regelmatig overleg tussen de ouders te voeren en contact tussen de vader en de kinderen te onderhouden.

4.15 Het hof zal de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder vast stellen (zonder de restrictie in Nederland).
Voor de vaststelling van een regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken sluit het hof aan bij het voorstel van de moeder zoals weergegeven in productie 11 bij brief van 22 augustus 2011, het ouderschapsplan en bij het voorstel van de vader van 7 mei 2012 (productie VIII bij brief van 9 mei 2012):
– de vader kan de kinderen bezoeken in Finland of de kinderen kunnen naar Nederland komen eenmaal per maand voor een weekeinde van drie dagen of lange weekeinden van 4 à 5 dagen eenmaal per zes weken, waarbij indien nodig de moeder een verblijfplaats voor de vader en de kinderen zal reserveren dan wel de woonruimte van de kinderen voor de vader beschikbaar zal stellen;
– de kinderen verblijven bij de vader in elk geval de eerste drie weken van de zomervakantie, eventueel in verband met de lengte van de Finse schoolvakanties in onderling overleg uit te breiden, en de tweede week van de kerstvakantie.
Nu de moeder geen bezwaar heeft gemaakt tegen het verzoek van de vader de vakantieregeling uit te breiden in die zin dat de kinderen gedurende één week van de meivakantie bij de vader zullen zijn, zal het hof dit verzoek toewijzen.

5. De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, dient het hof de bestreden beschikking, voor zover daarbij is bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben bij de moeder in Nederland, een regeling in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is vastgesteld, en het meer of anders verzochte is afgewezen, te vernietigen.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 28 september 2011, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de kinderen met ingang van heden hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben;

geeft de moeder toestemming om met [kind 1] en [kind 2] naar Finland te verhuizen;

verdeelt de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders als volgt:

– de vader kan de kinderen bezoeken in Finland of de kinderen komen naar Nederland eenmaal per maand voor een weekend van drie dagen of lange weekenden van 4 à 5 dagen eenmaal per zes weken, in onderling overleg te bepalen, waarbij indien de vader naar Finland komt, de moeder een verblijfplaats voor de vader en de kinderen zal reserveren dan wel de woonruimte van de kinderen voor de vader beschikbaar zal stellen;

– de kinderen verblijven in de vakanties bij de vader:
– gedurende de eerste drie weken van de zomervakantie;
– gedurende de tweede week van de kerstvakantie;
– gedurende de meivakantie één week in onderling overleg;

– partijen zullen bij de uitvoering van bovenstaande regeling meewerken aan het tijdig overdragen van de kinderen bij eventuele vluchten;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L. van der Bel, J.G. Luiten en B.F. Keulen, bijgestaan door W.W.M.W. van den Bosch als griffier, en is op 28 juni 2012 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Share

Kinderalimentatie. Rechtsverwerking. Specifieke omstandigheden van het geval.

Kinderalimentatie. Rechtsverwerking : Bron: LJN: BX2754, Gerechtshof ‘s-Gravenhage d.d. 25-07-2012, zaaknr 200.103.068/01

Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht

Uitspraak : 25 juli 2012
Zaaknummer : 200.103.068/01
Rekestnummer rechtbank : FA RK 11-3765

[appellant],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. D.H.J. Krouwel te ‘s-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat voorheen mr. R.K. van der Brugge te ‘s-Gravenhage, thans geen advocaat bekend.

Als belanghebbende is opgeroepen:
[thans jongmeerderjarige],
geboren [in] 1994 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de thans jongmeerderjarige.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 29 februari 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 29 november 2011 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vader:
– op 13 maart 2012 een brief van 12 maart 2012 met bijlagen;
van de zijde van de moeder:
– op 27 april 2012 een brief van 24 april 2012;
– op 4 mei 2012 een brief van 2 mei 2012.

De zaak is op 7 juni 2012 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
– de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
– de thans jongmeerderjarige.
De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikking van 3 februari 1999 van de rechtbank Amsterdam.

Bij beschikking van 3 februari 1999 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, bepaald dat de vader fl. 300,– per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de thans jongmeerderjarige.

Bij de bestreden beschikking is – met wijziging in zoverre van de beschikking van 3 februari 1999 – de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de thans jongmeerderjarige bepaald op € 61,13 per maand voor de periode van 15 juni 2011 tot 1 januari 2012 (in de bestreden beschikking staat foutief vermeld
23 maart 2012) en op € 61,92 per maand over de periode vanaf 1 januari 2012, vanaf 29 november 2011 telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de vader binnen veertien dagen na 29 november 2011 € 203,18 aan de moeder dient te voldoen ter zake schoolkosten van de thans jongmeerderjarige. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:
– bij beschikking van 15 juni 2011 van de rechtbank Arnhem is de thans jongmeerderjarige onder toezicht gesteld van Jeugdzorg en is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de periode van 15 juni 2011 tot 23 maart 2012.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) ten behoeve van de thans jongmeerderjarige.

2. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en (naar het hof begrijpt:) opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat het verzoek van de vader om de kinderalimentatie met ingang van 1 juli 2006 tot 15 juni 2011 op nihil te stellen dan wel de moeder de kinderalimentatie over de periode van 1 juli 2006 tot 15 juni 2011 te ontzeggen alsnog wordt toegewezen.

3. De moeder heeft in hoger beroep geen verweer gevoerd. Bij voormelde brief van 4 mei 2012 heeft de moeder het hof bericht dat zij niet zal verschijnen op de mondelinge behandeling van het hof.

4. De vader stelt dat naast het feit dat de moeder acht jaren lang heeft stilgezeten en niet om hervatting van betaling van de kinderalimentatie heeft verzocht, er bijzondere omstandigheden zijn als gevolg waarvan bij de vader het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de moeder haar recht tot invordering van de achterstallige kinderalimentatie niet meer geldend zou maken.
De vader voert daartoe aan dat partijen een stilzwijgende afspraak hebben gemaakt, inhoudende dat de vader de thans jongmeerderjarige vanaf januari 2003 niet meer zou zien en hij voor haar vanaf dat moment ook geen kinderalimentatie meer zou betalen. Daarnaast mocht de vader na ontvangst van de brief van het LBIO gedateerd 28 januari 2011, inhoudende het verzoek om kinderalimentatie vanaf augustus 2010 aan de moeder te voldoen, er gerechtvaardigd van uitgaan dat de moeder slechts aanspraak maakte op kinderalimentatie vanaf de laatst gemelde datum. In reactie op de daarna door de advocaat van de moeder op 8 juli 2011 rechtstreeks aan de vader gestuurde brief, waarin de vader wordt verzocht een bedrag van € 12.421,68 aan achterstallige kinderalimentatie over de periode van april 2004 tot augustus 2010 binnen veertien dagen te voldoen, heeft hij pas zijn gewijzigde inleidend verzoekschrift ingediend, waarbij hij de rechtbank heeft verzocht de kinderalimentatie per 9 januari 2003 op nihil te stellen. De vader kon er na verloop van acht jaren en bij het in zicht komen van het meerderjarig worden van de thans jongmeerderjarige gerechtvaardigd van uitgaan dat de moeder zelf in de behoefte van de thans jongmeerderjarige voorzag en geen aanspraak meer zou maken op een bijdrage zijdens de vader. De vader stelt zich voorts op het standpunt dat de moeder heeft ingestemd met een beëindiging van de betaling van kinderalimentatie per januari 2003, dan wel dat hij dit uit haar verklaringen en gedragingen redelijkerwijs mocht afleiden.
Daarnaast stelt de vader nog dat hij onredelijk in zijn positie zou worden benadeeld indien de moeder alsnog de achterstallige kinderalimentatie zou incasseren, nu de moeder geen behoefte had aan de bijdrage, terwijl de vader een lening zal moeten afsluiten om haar het bedrag van € 10.332,49 (het bedrag van de achterstallige kinderalimentatie over de periode van 1 juli 2006 tot 15 juni 2011) te betalen.

5. De thans jongmeerderjarige heeft ter terechtzitting verklaard achter het verzoek van de vader te staan, onder meer stellende dat de moeder de kinderalimentatie niet nodig had, mede gelet op het feit dat zij al sinds juli 2010 niet meer bij de moeder verblijft.

6. Het hof stelt voorop dat van rechtsverwerking in beginsel slechts sprake kan zijn indien de schuldeiser zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht. Enkel een tijdsverloop levert geen toereikende grond op voor het aannemen van rechtsverwerking. Daartoe is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden vereist, als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser die aanspraak alsnog geldend zou maken.

7. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld is het hof van oordeel dat het beroep van de vader op rechtsverwerking gehonoreerd moet worden. Daartoe overweegt het hof het volgende. Vast staat dat de vader vanaf januari 2003 geen kinderalimentatie aan de moeder heeft betaald. Tot medio 2011 heeft de moeder hiertegen niet geprotesteerd, naar haar eigen verklaring omdat zij bang was voor de vader en zijn familie. Deze stelling is door de moeder evenwel niet onderbouwd, terwijl de vader weerspreekt dat daarvoor gronden aanwezig zouden zijn. In de tussenliggende periode van acht jaren is door de moeder nooit om betaling van kinderalimentatie verzocht, heeft zij anderszins evenmin aan de orde gesteld dat de vader in gebreke was met de betaling van een bijdrage voor de thans jongmeerderjarige en ook heeft zij in die periode niet getracht de beschikking van 3 februari 1999 te executeren. Het hof gaat daarbij voorbij aan de verklaring van de moeder ter terechtzitting in eerste aanleg, inhoudende dat zij reeds in 2009 een beroep heeft gedaan op betaling van achterstallige kinderalimentatie via het LBIO, nu zij deze stelling, bij betwisting daarvan door de vader, (in hoger beroep) niet met stukken heeft onderbouwd. Het enkele tijdsverloop vormt op zichzelf echter geen bijzondere omstandigheid die rechtsverwerking rechtvaardigt.

8. In dit specifieke geval zijn naar het oordeel van het hof echter bijzondere omstandigheden aanwezig die in onderlinge samenhang bezien tezamen met het vorenstaande maken dat bij de vader het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat de moeder haar aanspraak op kinderalimentatie niet (meer) geldend zou maken. Deze bijzondere omstandigheden zijn vooreerst gelegen in de door de moeder gedurende het tijdvak april 2004 tot augustus 2010 jegens de vader ingenomen houding. De vader heeft gesteld dat sprake was van een stilzwijgende afspraak tussen partijen inhoudende dat de vader de thans jongmeerderjarige vanaf januari 2003 niet meer zou zien en dat hij aan de moeder vanaf dat moment ook geen kinderalimentatie meer zou betalen. Hoewel het bestaan van deze stilzwijgende afspraak door de moeder in eerste aanleg is betwist, is gebleken dat gedurende de periode van acht jaar de vader niet aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan en dat evenmin omgang tussen de vader en de thans jongmeerderjarige heeft plaatsgevonden. Dat door de moeder het uitblijven van deze omgang evenmin op enig moment bij de vader aan de orde is gesteld, maakt haar betwisting van de stelling van de vader met betrekking tot de stilzwijgende afspraak onaannemelijk. Vast staat in ieder geval dat de moeder jarenlang geen betaling van de kinderalimentatie heeft gevorderd en er tussen de vader en zijn dochter geen omgang heeft plaats gevonden, op welke omgang de moeder nooit heeft aangedrongen. Verder heeft de moeder naar eigen zeggen ter zitting in eerste aanleg altijd een goed salaris verdiend; zij kon daarvan met de thans jongmeerderjarige goed rondkomen en zij was nimmer genoodzaakt leningen aan te gaan om te voorzien in haar levensonderhoud en dat van de thans jongmeerderjarige. De moeder heeft derhalve geen relevant gebleken nadeel geleden door het uitblijven van de kinderalimentatie. De vader daarentegen zou onredelijk worden benadeeld indien de moeder haar aanspraak alsnog geldend kan maken, te meer nu door de vader – onweersproken – is gesteld dat, nu hij geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de moeder hem te eniger tijd in rechte zou kunnen betrekken, hij hierop niet heeft geanticipeerd als gevolg waarvan hij een lening zal moeten afsluiten om alsnog het bedrag aan achterstallige kinderalimentatie te kunnen betalen.

9. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen is het hof dan ook van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de moeder – in het bijzonder gezien haar daarmee onverenigbare ingenomen houding – thans nog aanspraak maakt op betaling van achterstallige kinderalimentatie. Nu het beroep van de vader op rechtsverwerking slaagt, zal het hof het inleidend verzoek van de vader voor zover dit ziet op de periode van 1 juli 2006 tot 15 juni 2011 alsnog toewijzen en de bestreden beschikking in zoverre vernietigen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zo¬ver aan het oor¬deel van het hof onder¬worpen en voor zover deze betrekking heeft op de periode van 1 juli 2006 tot 15 juni 2011 en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 3 februari 1999 van de rechtbank Amsterdam, de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de thans jongmeerderjarige met ingang van 1 juli 2006 tot
15 juni 2011 op nihil;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan ‘s hofs oor¬deel onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Stollenwerck en Van Veen, bijgestaan door mr. Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juli 2012.

Share

Bijlage 2012 (tweede helft) bij het rapport van de Werkgroep Alimentatienormen beschikbaar

In deze versie van de bijlage 2012 (tweede helft) bij het rapport Alimentatienormen is een aantal aanpassingen doorgevoerd. Deze aanpassingen houden verband met de wijzigingen in de Wet Werk en Bijstand per 1 juli 2012. Deze wijzigingen zijn het gevolg van de Wet inkomensaanvulling 2005. Door deze wet veranderen de bedragen van de uitkeringen die zijn afgeleid van het netto minimumloon en vindt een aanpassing in de berekening van het vakantiegeld plaats.

Vragen of Advies over rechtspraak, berekeningen, draagkracht, behoefte berekeningen, partneralimentatie berekeningen, kinderalimentatie berekeningen zie tremanormen.nl

Share